Waardevolle Verbindingen, discussies

Deze pagina bevat discussies naar aanleiding van mijn boek ‘Waardevolle Verbindingen’

27 september 2016

Koppelzones, een innovatie in het sociaal domein?

Chris Kuipers, ambtelijk secretaris Landelijk Contact Gemeentelijk Welzijnsbeleid

Op zijn LinkedIn pagina schrijft Chris Kuipers het volgende:

Vorge week sprak ik Ellen Vervoort en Charles de Monchy van www.transactieland.nl, een platform dat op basis van onderzoek komt tot nieuwe oplossingen in het sociale domein. Ze hebben een model ontwikkeld dat zich richt op koppelzones.  Hun ideeën worden mooi verwoord in het boek “waardevolle verbindingen” van Nanko Boerma dat als ondertitel heeft  “de constructie van vertrouwen in de toekomst”.

De kern van het betoog van Nanko draait om vertrouwen. Mensen hebben vertrouwen nodig om te kunnen leven en daarbij onderling verbindingen aan te gaan. Vertrouwen wordt daarom door hem gedefinieerd als: ”mensen hebben vertrouwen in hun omgeving en in de samenleving als geheel in de mate waarin de dingen van de dag zich min of meer ontwikkelen, zoals zij dat verwachten”.  Het is een praktische benadering, gebaseerd op dingen benoemen die opvallen zonder vaagheden toe te laten.

We zien allemaal dat het vertrouwen van burgers in hun omgeving en in de samenleving daalt en dat gebeurt doordat mensen te weinig grip op de eigen toekomst ervaren. Diverse burgerinitiatieven ontstaan uit onvrede. De “instanties” waar burgers mee te maken hebben, gaan uit van hun eigen organisatiebelang. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de burger die een waardevolle verbinding wil maken. Omdat de burger de procedures en de uitkomsten van de verbindingen met de instanties niet meer begrijpt, worden de verbindingen waardeloos. Transactieland onderkent deze ontwikkeling en komt met een model voor een acterende burger/professional/ambtenaar die zelf het initiatief neemt en overgaat tot transactiesturing.

Nanko gebruikt het woord  koppelzones, de ruimten waarin burgers en instanties elkaar ontmoeten en verbindingen aangaan. Het gaat over transacties, over standaardisatie, over een vertrouwensinfrastructuur, over de rol en opdracht van de staat, de mogelijkheden die de burger zelf heeft om waardevolle verbindingen aan te gaan. Maar ook om essentiële waarden uit te wisselen. Van belang is dat elke partner de info verkrijgt die hij nodig heeft.  Hoe ontsnappen we allen aan de  rituelen en gewoonten van onze onbereikbare en uitdijende instituties? Transactieland heeft daar een oplossing voor. Gestandaardiseerde elementen die het aangaan en uitvoeren van transacties vereenvoudigen. En dat zonder een hiërarchieke leider.

 

7 maart 2016:

Dik J. Wolfson:

 

Transactie als bestuurlijke vernieuwing:

Pionierswerk met mooie analyse en onjuist advies

In  mijn boek ‘Waardevolle Verbindingen, de constructie van vertrouwen in de toekomst’ heb ik het een na laatste hoofdstuk gewijd aan de ‘Transactiestaat’. Bij het voorbereiden daarvan was mij een belangrijke bron ontgaan, te weten het rapport ‘Transactie als bestuurlijke vernieuwing’, dat door Prof. Dr. D.J. Wolfson in 2005 als WRR Verkenning is gepubliceerd[1]. Recent heb ik deze omissie ingehaald. Mijn conclusie na lezing is:

  • Natuurlijk had ik het erbij moeten betrekken,
  • Het verandert niets aan wat ik heb geschreven.

Wolfson maakt belangrijke opmerkingen, die ik deel en die ik – had ik zijn rapport gelezen – deels aan hem had kunnen en moeten toeschrijven[2]:

  • Het begint al met de openingszin in het voorwoord: “Zijn we niet te lang blijven hangen in een besturingmodel waarin de minister bepaalt, de bureaucratie doeltreffend uitvoert, het parlement alleen op hoofdlijnen controleert en burgers zich gedragen? “ Een pregnante vraag, die 10 jaar na dato nog niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet en waar we nog geen begin van antwoord op hebben geformuleerd.
  • Een tweede belangrijke notie is de uitgangsstelling van zijn analyse: “Kijk naar mensen als ‘actoren’ die hele reeksen van dubbelrollen spelen. Op de arbeidsmarkt treden ze op als aanbieders (van hun diensten) en vragers (van een inkomen). Dat inkomen ruilen ze vervolgens weer  voor andere dingen. Ook in hun sociale leven is wederkerigheid het dominante patroon.”(p.14) Wat mij betreft komt dit overeen met de ‘acterende burger’ die in mijn boek een hoofdrol speelt.
  • Op deze dragende gedachte bouwt het rapport voort: “wederkerigheid is belangrijk als kenmerk en als norm van sociale relaties, als bron van zingeving, identificatie en vertrouwen, en uiteindelijk ook voor de checks and balances in de rechtsbescherming.”(..)”De uitdaging is om het functioneren van de overheid als geheel – in beleid en uitvoering – te verbeteren en het vertrouwen van de burger terug te winnen door méér wederkerigheid te introduceren.” (p. 14) Via een iets andere route kom ik tot dezelfde conclusie: we hebben de samenleving zo ingewikkeld gemaakt, dat  veel mensen gewoon de weg kwijt raken en daarom het vertrouwen verliezen in  de samenleving als geheel en in de overheid in het bijzonder. Er is maar één remedie: het moet simpeler.

Dit alles gezegd zijnde, zou de tekst van mijn hoofdstuk er niet anders uitgezien hebben.  De reden daarvoor is dat Wolfson in de klem komt tussen de inhoud van zijn advies en de geadresseerde daarvan, de staat. Enerzijds wil hij niet langer van ‘boven naar beneden’ denken; hij schrijft:  “voortschrijdende professionalisering van overheidsbeleid vraagt om een omkering van het initiatief in de uitvoering: niet meer van boven naar beneden, maar van beneden naar boven, getoetst aan criteria van goed bestuur en onder een ministeriele verantwoordelijkheid die zich meer en meer op hoofdlijnen terugtrekt.”(p. 85).

Anderzijds adresseert hij dit advies aan de staat. Hij wil de staat helpen om de burger beter in de greep te kunnen krijgen bij de toedeling van collectieve goederen en diensten.  In deze – verticale – verhouding wil hij de  relatie tussen ‘genieten van’ en ‘betalen voor’ de voorzieningen van de verzorgingsstaat weer herstellen door  – horizontale – elementen van ‘transactie’ in te brengen.  In plaats van “u vraagt, wij draaien”, komt “U vraagt, wij vragen u daar iets tegenover te stellen.” Deze wederkerigheid versterkt het vertrouwen tussen burgers en overheid.” (p. 28/29) “De transactiestaat brengt macht onder controle door rechten en plichten door het hele systeem heen te koppelen in een keten van opdrachtgever-opdrachtnemer-relaties.”(p.33).

Ik denk dat hij hier miskent dat de relatie tussen staat en burger altijd een top-down-relatie is, waarbij de staat de machtigste partij is die zijn wil – desnoods met brute macht – kan afdwingen. De staat hééft in de afgelopen jaren “rechten en plichten door het hele systeem heen (gekoppeld) in een keten van opdrachtgever-opdrachtnemer-relaties”. En dat is nu precies waar het zo grootschalig verkeerd gaat, waar de burgers het spoor bijster zijn, de kosten altijd hoger dan gedacht en de  verantwoordelijkheden altijd diffuus.

Wolfson wil de transactiestaat invoeren door veel meer wederkerigheid in de (verticale) processen tussen overheid en burger te brengen. Ik denk dat de transactiestaat alleen kan ontstaan door de (horizontale) transactie tussen acterende burgers als basiseenheid voor de samenleving te zien. De coördinatie in de samenleving krijgt primair vorm als een relatie tussen acterende burgers die tezamen een waardevolle verbinding tot stand brengen. Daarvoor is een staat nodig die hiervoor de ruimte en de randvoorwaarden organiseert. Is dit de ouderwetse nachtwakersstaat? Nee, het is een staat die in drie dingen sterk is:

  • Allereerst in het normeren, waarbij het onderwerp van politiek debat is waarover en hoe ver die normstelling gaat. Zo ben ik zelf bij voorbeeld voor een staat die stevige normen formuleert ten aanzien van nationale en internationale solidariteit.
  • In de tweede plaats moet de staat sterk zijn in belastingheffing: overeenkomstig de gestelde normen moet hij de hiervoor noodzakelijke middelen aan de economie, aan de burgers dus, onttrekken.
  • Tenslotte moet de staat sterk zijn in het afdwingen van de gestelde normen. Daarvoor beschikt de staat over zijn repressief apparaat.

Wat de staat juist niet meer sterk moet (proberen te) doen is in het (top-down) organiseren van allerlei voorzieningen, waarmee de gestelde normen kunnen worden bereikt. Dat lukt toch niet, zoals we dagelijks in telkens nieuwe uitvoeringsrampen kunnen zien. Het is bovendien niet nodig: onze hoog-ontwikkelde bevolking van acterende burgers kan deze voorzieningen grotendeels zelf tot stand brengen, binnen de inhoudelijke en financiële normen die de staat heeft gesteld. Buurtzorg is hiervan het voorbeeld bij uitstek.

Waar de speurtocht naar de juiste inrichting van de transactie-samenleving en de daarbij horende transactiestaat ook in mijn boek op zijn best begonnen wordt en zeker niet is afgesloten, ontmoeten Wolfson en ik elkaar weer.  Hij formuleert de noodzaak van een adequate institutionele infrastructuur. Misschien bedoelen we het zelfde, misschien ga ik een stapje verder. Het ontwikkelen van een ‘vertrouwensinfrastructuur’ van een zeer hoog niveau is – denk ik – in de dagelijkse praktijk het belangrijkste instrument van de overheid om acterende burgers in staat te stellen onderling diensten met elkaar uit te wisselen. Deze vertrouwensinfrastructuur  “wordt gevormd door een complex van instituties (..,) beperkingen die mensen aan zich zelf (laten) opleggen en die het kader vormen voor het dagelijks handelen.”(Waardevolle Verbindingen, p. 14) Standaarden, maatschappelijke afspraken over het omgaan met elkaar,  vormen de kern van deze vertrouwensinfrastructuur. Google, Facebook, Über, Microsoft en AirBNB hebben dit beter begrepen dan onze politici. Ze dringen ons via hun diensten (die we wat graag gebruiken) hun standaarden op en bepalen zo steeds meer de inrichting van ons dagelijks leven. Wil de staat niet volledig irrelevant worden voor het dagelijks verkeer van acterende burgers dan moet hij het proces van maatschappelijke standaardvorming ondersteunen en kanaliseren.  Dit kan bij voorbeeld door de inrichting van een ‘catalogus’ van standaarden die gebruikt kunnen en moeten worden  bij de vormgeving van transacties.  Op die manier kunnen burgers veilig met elkaar trans-acteren: als de goederen en diensten die zij uitwisselen gebaseerd zijn op de vastgestelde maatschappelijke standaarden, zijn ze immers “goed”.

Het pionierswerk van Wolfson verdient alle lof en het is een omissie dat ik het niet bij het schrijven van mijn boek heb betrokken.  Met het slotwoord van zijn oratie ben ik in ieder geval hartgrondig eens: “Het pleidooi voor een transactiestaat (zal)…niet in dank worden afgenomen door al diegenen die de huidige verzorgingsarrangementen in blind conservatisme verdedigen, of juist beeldenstorm willen houden om de verzorgingsstaat voor eens en vooral op te ruimen. Dat zij zo: de beste verdediging van het Ware is nog altijd de aanval op de bigotterie”. [3]

Een dikke twintig jaar later klopt dit nog steeds. De bigotterie beschermt grote bestaande belangen. Het gevecht tegen het conservatisme is dan ook taai.

 

[1] D.J. Wolfson, Transactie als bestuurlijke vernieuwing,  Op zoek naar samenhang in beleid en uitvoering. WRR Verkenningen, Amsterdam 2005, Amsterdam University Press.

[2] Inmiddels hebben Wolfson en ik per mail wat gedachten kunnen uitwisselen en is hij zo vriendelijk geweest mij een exemplaar van zijn oratie uit 1993 toe te zenden: Kerntaken: van verzorgingsstaat naar transactiestaat.

[3] D.J. Wolfson, Kerntaken: van verzorgingsstaat naar transactiestaat, Groningen 1993, Wolters-Noordhoff, p. 35