Waardevolle Verbindingen, verantwoording

De constructie van vertrouwen in de toekomst

In dit boek gaat het over ‘vertrouwen’, het gebrek daaraan in de samenleving, de(ook financiële) consequenties daarvan, de oorzaken en de vraag wat daaraan te doen. Het boek is:

  • Een aanklacht tegen ‘instanties’, variërend van banken tot UWV, van Belastingdienst tot woningbouwcorporatie, van (ziektekosten-)verzekeraar tot telecombedrijven. Zij zijn het die met hun ondoorgrondelijke procedures, toevallige uitkomsten, call centres en anonieme internetadressen de ‘vertrouwensinfrastructuur’ van de samenleving aantasten;
  • Een analyse, die de kortsluiting tussen de vertrouwensinfrastructuur en de dagelijks ervaren realiteit positioneert in drie oorzaken, die alle te maken hebben met de ‘ICT-ificering’ van de samenleving.
  • Een pleidooi om de constructie van vertrouwen in de samenleving centraal te stellen in het maatschappelijk en politiek debat;
  • Een voorstel om een vertrouwensdividend te incasseren door de ‘acterende burger’ weer de rol te geven van drager van staat en samenleving, zoals hem die al sinds de grondwetswijziging van 1848 toekomt;
  • Daarmee een manifest voor radicale democratisering.

Het boek is al met al geen wetenschappelijke verhandeling. Niettemin heb ik bij het schrijven van dit boek geprobeerd gebruik te maken van volgens mij relevante inzichten van andere auteurs. Om de leesbaarheid van het verhaal te vergroten heb ik er voor gekozen om geen verwijzingen in de tekst op te nemen. Wel voel ik behoefte om de lezer de gelegenheid te geven kennis te nemen van zowel de bronnen die ik heb gebruikt, als ook van een aantal denkslagen die ik heb gemaakt. Daarnaast neem ik de gelegenheid om enkele gedachten nog wat verder uit te werken. Via deze website stel ik me graag open voor discussie met lezers. Dat zal er allicht toe bijdragen dat deze verantwoording een zekere dynamiek kent en er gaandeweg aanpassingen komen, waar ik gewezen wordt op onjuistheden in brongebruik, analyse en stellingname. Om deze discussie mogelijk te maken heb ik onderstaand per hoofdstuk een ‘reactie-formulier’ opgenomen. De reacties en mijn commentaar daarop blijven beschikbaar. Als ik op grond van één of meer reacties wijzigingen aanbreng in deze verantwoording, of in een volgende druk van het boek, dan zal ik dat vanzelfsprekend aangeven.

In deze verantwoording geef ik aan, welke gedachten en bevindingen ik van andere auteurs heb overgenomen.

Hoofdstuk 1

In dit hoofdstuk introduceer ik de twee kernbegrippen waar dit boek over gaat: “vertrouwen” en “waardevolle verbindingen”. Deze kernbegrippen beschouw ik als attributen van de omgang van mensen met elkaar en met de samenleving als geheel. Ze hebben alles met elkaar te maken. Vertrouwen definieer ik als een operationeel begrip: ‘Mensen hebben vertrouwen in hun omgeving en in de samenleving als geheel in de mate waarin de dingen van de dag zich min of meer ontwikkelen, zoals ze dat verwachten.’[1] Het gaat daarbij om wat mensen verwachten van de relatie met elkaar, van de relatie tussen hen en de vele organisaties waarmee zij te maken hebben en van de relatie tussen hen en de samenleving als geheel. Maar wat “verwachten” mensen?

Bij de voorbereiding van dit boek heb ik gekeken naar John Rawls’ “Theorie van rechtvaardigheid”. Enigszins associërend op zijn boek kom ik langs de volgende lijnen tot een antwoord op die vraag: wat “verwachten” mensen? :

  • Rawls stelt dat “rechtvaardigheid (..) de eerste deugd van sociale instituties (is), zoals waarheid dat is van denksystemen. (..) Wetten en instituties, hoe efficiënt en goed geregeld ze ook zijn, worden hervormd of afgeschaft als ze onrechtvaardig zijn. Elke persoon bezit een op rechtvaardigheid gefundeerde onschendbaarheid die zelfs omwille van de welvaart van de samenleving niet terzijde geschoven kan worden.”[2]
  • Ik ga er daarom van uit dat mensen van de omgang met elkaar, met organisaties en met de samenleving als geheel rechtvaardigheid verwachten. Ze verwachten maatschappelijke rechtvaardigheid.
  • Rawls stelt dat het rechtvaardigheidsconcept “wordt gedefinieerd dor de rol van haar beginselen bij het toekennen van rechten en plichten en bij het definiëren van een correcte verdeling van sociale voordelen” [3]. Het gaat dus om “rechtvaardigheid als billijkheid”, waarmee rechtvaardigheid dus primair een procedureel karakter krijgt. Hij formuleert uiteindelijk hiervoor twee beginselen [4]:
  • “Elke persoon dient een gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen”
  • “Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze:
    • Het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden en in overeenstemming zijn met het rechtvaardige spaarbeginsel
    • Verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijkheid van kansen.”
  • In het licht van het bovenstaande ga ik er van uit dat mensen in hun omgang met elkaar, met organisaties en met de samenleving als geheel billijke procedures verwachten en dat zij de mate van billijkheid van die procedures afmeten aan de mate waarin deze recht doen aan de twee hierboven genoemde beginselen van rechtvaardigheid.

Op dit punt komt mijn tweede kernbegrip aan de orde: “waardevolle verbindingen”. Mensen verwachten dat de “dingen van de dag” zich ontwikkelen zoals ze verwachten. Ze verwachten billijkheid. Onze verhouding met een auto, een gebouw, een plant, of een dier kan niet in termen van billijkheid worden begrepen. Billijkheid is een maatschappelijke conditie, die alleen van toepassing is op onze omgang met elkaar, met organisaties en met de samenleving als geheel. Veel van deze omgang heef het karakter van een eenmalige ontmoeting. Ook dan is billijkheid niet een echt relevante conditie. Het is misschien wel aardig om de buschauffeur te groeten als je instapt en onaardig om het niet te doen, maar het is niet onbillijk. Pas als er sprake is van repeterende contacten over een langere termijn wordt billijkheid een relevante conditie. Op die manier, eveneens enigszins associërend op Rawls, lijkt het mij passend om te stellen dat dergelijke verbindingen waardevol moeten zijn en dat de condities hiervoor zijn:

  • Hiervan is alleen sprake als beide partijen meer waarde ervaren
  • Die waarde hoeft niet per se op ieder willekeurig moment in deze verbinding voor beide partijen dezelfde hoeft te zijn
  • Een waardevolle verbinding moet altijd in vrijheid kunnen worden aangegaan en dús ook weer worden verbroken: een verbinding die structureel de ene partij meer waarde oplevert dan de andere zal op langere termijn niet stand zal houden, omdat de uitkomsten niet billijk worden geacht.

Alleen verbindingen die niet in vrijheid worden aangegaan kunnen ertoe leiden dat de ene partij nadeel en de andere partij voordeel ondervindt. In het geval dat deze verbinding kortdurend is, hebben we het dan over diefstal. Als een dergelijke verbinding over een langere periode bestaat kwalificeren we deze als afpersing. Dit zijn dus bij uitstek waardeloze verbindingen.

In de discussie over het begrip ‘Vertrouwen’, wordt, bij voorbeeld door P. Meurs[5], vaak onderscheid gemaakt tussen:

  • Vertrouwen in relationele zin (in het Engels: ‘trust’)
  • Vertrouwen in institutionele zin (‘confidence’)

Ik denk dat vertrouwen altijd attribuut is van een relatie. Alleen als de verbinding waardevol is zal er vertrouwen zijn. Niettemin denk ik – en daar gaat een belangrijk deel van het boek over – dat het juist instituties zijn die, door de wijze waarop zij zich tot de burgers richten, ernstig afbreuk doen aan de kwaliteit van verbindingen die wij ervaren. In het algemeen hebben we – zoals uit onderzoek van b.v. het SCP blijkt – misschien best wel vertrouwen (‘confidence’) in instituties als de rechtspraak en de overheid. Maar als in de praktische dagelijkse omgang met de organisaties die deze instituties vertegenwoordigen waardeloze verbindingen ontstaan, zullen veel mensen toch overblijven met een gebrek aan vertrouwen.

Hoofdstuk 2:

Basis van dit hoofdstuk is in zekere zin het concept van “het fundamentele probleem van de ruil”, zoals door A. Greif gestipuleerd in zijn artikel “The fundamental problem of exchange: a research agenda in Historical Institutional Analysis”[6]. In de economie is het een basis –premisse dat de welvaart gediend is met uitwisseling van schaarse ‘resources’. De vraag daarbij is echter altijd hoe er zeker van te zijn dat een contractpartner achteraf zal doen wat te voren is afgesproken. Greif stelt vast dat iedere samenleving beschikt over een reeks van instituties die economische actoren moeten helpen hierover voldoende zekerheid te hebben.

Ik noem de verzameling van deze instituties die op enig moment in een samenleving beschikbaar zijn de “vertrouwensinfrastructuur”. Wetgeving en rechtspraak zijn belangrijke bestanddelen van deze vertrouwensinfrastructuur, maar ze zijn niet de enige. Greif noemt ontwikkelingen op gebieden als speltheorie, contracttheorie en informationele economie, die het mogelijk maken om andere aspecten van instituties, zoals geloofssystemen, op wetenschappelijke wijze te bestuderen. Dan blijkt dat deze instituties onderling, van land tot land en van tijd tot tijd niet allemaal gelijkwaardig zijn. Historisch onderzoek laat zien dat sommige (sets van) instituties beter zijn dan andere, in termen van het garanderen van zekerheid aan contractpartners.

De stelling die ik in hoofdstuk 2 inneem is dat de bestaande vertrouwensinfrastructuur niet meer voldoende past en dus niet meert in voldoende mate de (economische) actoren zekerheid geeft over het gedrag van andere actoren, in het kader van het fundamentele probleem van de ruil. Bij de uitwerking van deze stelling heb ik gebruik gemaakt van de volgende auteurs:

Het concept “vertrouw maar verifieer” en de stelling dat mensen dat permanent doen, er soms de tijd voornemen en soms ook dit in spilt second afhandelen, is gebaseerd op S. Covey[7]. Hij noemt hierbij drie variabelen die we in dit ‘verificatie-proces’ langslopen: wat is de gelegenheid van de situatie, wat is het risico dat we lopen en wat is de geloofwaardigheid van de persoon?

Waar ik spreek over Civilisatieproces baseer ik me in het bijzonder op het werk van Norbert Elias, Het Civilisatieproces [8]. Hij beschrijft dat het West-Europees civilisatieproces zo uniek is “door het feit dat een zo verstrekkende functiedeling, zulke stabiele gewelds- belastingmonopolies en bindingen van interdependentie over zo grote gebieden en zo grote aantallen mensen zijn ontstaan als nooit tevoren in de wereldgeschiedenis.”…”Daarmee correspondeert de noodzaak tot het afstemmen van het gedrag in dergelijke grote gebieden”, waarbij er binnen die gebieden knooppunten ontstaan, waar deze netwerken samen komen en zich vervlechten. “(..)een functie in het knooppunt van zo veel handelingsketens (vereist) een heel precieze tijdsindeling; hierdoor raakt men eraan gewend opwellingen ondergeschikt te maken aan de eisen van de veelomvattende interdependentie; hierdoor wordt men getraind in het vermijden van wisselvallig gedrag”. Juist deze ontwikkeling van toenemende interdependentie, resulterend in het vermijden van wisselvallig gedrag leidt tot de noodzaak van het ontstaan van gedragsregels, of wel instituties. Deze zijn dus tijd- en plaatsgebonden.

De cijfers met betrekking tot ‘vertrouwen’ en ‘grip’ zijn ontleend aan het SCP, COB 2013-4[9]. In de analyses van het SCP vertaalt dit gebrek aan ‘grip’ zich niet direct ineen afnemende tevredenheid met het eigen leven. Over het algemeen is tevredenheid hoog. Ook is er nog steeds een redelijke mate van tevredenheid met de Nederlandse samenleving als geheel (bijna 80%) en met het bestuur van de eigen gemeente (ca. 70%). Slechter is het gesteld met de tevredenheid over ‘Den Haag’ (ca. 40%) en ‘Europa’ (zo’n 35%).

De opmerkingen van de Nationale Ombudsman komen uit: Mijn Onbegrijpelijke Overheid; Jaarverslag 2012 van de Nationale Ombudsman [10].

De anekdote over Mevrouw De Vries is ontleend aan Stephan Steinmetz, de brievenbus van Mevrouw De Vries. Steinmetz doet hierin verslag van het ‘vrijwilligerswerk’ dat hij een tijd lang heeft gedaan voor zijn bejaarde buurvrouw, die omdat ze bejaard, niet al te gezond en relatief arm was ‘client’ was bij talloze instituties van de verzorgingsstaat. Al deze clubs communiceren op hun eigen wijze, hetgeen tot navrante en soms ook hilarische taferelen leidt. Al deze clubs coördineren hun communicatie op één manier: in de brievenbus van Mw. De Vries. [11]

Waar het gaat om de spanning tussen de systeemwereld van de instanties en de werkelijkheid van burgers heeft M. Bovens het begrip “diplomademocratie” gemunt. In een artikel in Beleid & Maatschappij vat hij samen: “De moderne democratie is een diplomademocratie. Burgers hebben beduidend meer politieke invloed naarmate hun opleiding hoger is. Hoger opgeleiden waren altijd al politiek actiever dan lager opgeleiden, maar in de afgelopen decennia is het verschil sterk toegenomen. Hoogopgeleide burgers gaan vaker stemmen, bezoeken vaker inspraakavonden en staan veel vaker vooraan bij interactieve beleidsvorming dan laagopgeleide burgers. En ofschoon nog ruim de helft van de bevolking alleen maar lager of middelbaar onderwijs heeft gevolgd, zijn laagopgeleide burgers in ons land inmiddels vrijwel volledig afwezig in de vertegenwoordigende organen en onder politieke bestuurders. Meer dan ooit te voren, sinds de invoering van de het algemeen kiesrecht, wordt de democratie gedomineerd door de hoogst opgeleiden.”[12]

De column over Sint Willibrord is ontleend aan een artikel in NRC-Handelsblad van 31 mei 2014[13].

De begrippen ruimteloze ruimte en tijdloze tijd zijn ontleend aan M. Castells; dat geldt ook voor de notie dat steeds meer mensen internet zien als metafoor voor de reële wereld. Castells wijst in dit verband op de relatie tussen ‘virtual reality’ en ‘real virtuality’: niet alleen kunnen we de realiteit in bijvoorbeeld games en andere simulaties ‘net echt’ namaken, maar vaak ook hebben volkomen ‘virtuele’ objecten, zoals het imago van een filmster, of van een merk een ‘echte’ waarde. Beide werelden, die van de virtual reality en die van de real virtuality komen tot ons via het internet en we kunnen ze bijna altijd ‘direct’ regelen. Hij spreekt in dit verband o.m. van “the space of flows” en “the edge of forever: timeless time”.[14] Een wel zeer pregnant voorbeeld hiervan is hoe in 2014 het “Sinterklaas-journaal” van de NTR (een producent van virtuele beelden en geluiden dus, de hoogste autoriteit werd ten aanzien van de discussie over “zwarte piet” (een namaakfiguur, dus) en daarmee een rol moest gaan spelen in het zeer reële debat over racisme in Nederland.

De opmerkingen met betrekking tot het einde van de hiërarchie zijn deels ontleend aan een artikel dat eerder is gepubliceerd in het katern Letter en Geest van Dagblad Trouw, 16 mei 2009 [15].

Daarnaast zijn de noties met betrekking tot het einde van hierarchie is in dit verband van groot belang het artikel van Ronald Coase,  “The Nature of the Firm”[16].  Coase wordt met dit artikel gezien als een belangrijke grondlegger van de transactiekostentheorie. Hij laat zien dat juist de relatieve transactiekosten bepalend zijn voor het besluit van een bedrijf tot het ‘inhuren’ van resources via de loonlijst, dan wel het inkopen van resources vanaf de markt. Daarmee zijn het deze relatieve transactiekosten die de omvang van een bedrijf bepalen. De stelling die ik poneer is dat door de feitelijke opheffing van de schaarste van informatie de machtspositie van de leiding van grote organisaties ernstig is verkleind en dat ook overigens grote organisaties hun tijd hebben gehad omdat door de opheffing van de informatieschaarste de relatieve transactiekosten zich zo hebben ontwikkeld, dat netwerken van kleine organisaties en zelfstandigen veel effectiever en goedkoper zijn geworden.

De cijfers met betrekking tot het aandeel Hoger Opgeleiden in de Nederlandse bevolking is ontleend aan Monitor Trends in Beeld van het Ministerie van OCW. [17] Hierbij kan voorts worden aangetekend dat allen die een afgeronde Mbo-opleiding hebben gedaan ook zeer zelfstandig hun eigen weg kunnen kiezen.

De column met betrekking tot Josje Hillenaar is ontleend aan een uitzending van Netwerk van 21 juli 2009 in een reeks over “Kafka in de polder”; Uit haar website blijkt dat Josje zich verder goed heeft ontwikkeld. [18]

De opmerkingen over de legitimiteitsproblemen van ‘instanties’ zijn overgenomen uit het Advies van de Raad voor Maatschappelijke Organisatie, RMO, Terug naar de basis. [19]

Hoofdstuk 3

De relatie tussen instituties en economische groei is al gelegd door A. Greif in het hiervoor genoemde artikel, dat hij afsluit met: “once the cumulative effect of (historical) studies enables us to see the broader picture of this historical evoloution in different societies we will be much closer understanding the process through which some societies grew rich, while others did not[20]. Ter uitwerking daarvan verwijs ik naar:

  • Acemoglu en Robinson : zij zien in de praktijk een omgekeerde relatie tussen de kwaliteit van de instituties in een land en de welvaart, c.q. economische groei in een land. Zij maken onderscheid tussen inclusieve en extractieve economische instituties. Tot de inclusieve economische instituties behoort bescherming van het eigendomsrecht, afschaffing willekeurige belastingheffing, afschaffen monopolies en een adequate infrastructuur. [21]Vgl. Acemoglu en Robinson, Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm, Amsterdam 2012, p. 105-126.
  • Interessant in dit verband is ook het verhaal dat R. Shorto vertelt over de Akte van Overgave van de kolonie Nieuw Amsterdam aan de Engelsen, waarin Peter Stuyvesant belangrijke condities voor vrijheid op Manhattan bedong. Juist deze vrijheden vormden aldus Shorto , belangrijke kiemen voor het latere succes van New York als ‘melting pot’en als economische en culturele motor van de VS en in zekere zin van de wereld.[22]

De spanning waaronder de verzorgingsstaat staat en de repressieve inspanning die ze moet plegen om belastingontduiking en fraude zo veel mogelijk uit te bannen is goed beschreven door A. de Swaan, die al in 1988 stelde dat “de grenzen aan de verzorgingsstaat (.) niet noodzakelijk gelegen (zijn) in de financiering en het beheer van het stelsel. De beperkingen lijken eerder opgelegd te worden door de mogelijkheden tot effectieve herverdeling” en hij voegde daaraan toe: “De hedendaagse verzorgingsstaat is een strategische omgeving geworden waarin mensen opereren als berekenende ondernemers”. …. “De verzorgingsstaat, als een anoniem en grotendeels ‘waardevrij’ stelsel dat zoveel winstkansen voortbrengt en op ondoorgrondelijke wijze zoveel beperkingen en heffingen oplegt, vraagt erom te worden uitgebuit en bedrogen.”[23]

Binnen dit kader maak ik een aantal specifieke opmerkingen:

De cijfers met betrekking tot “inkeer” van Nederlandse belastingontduikers zijn vermeld in de Bij brief van 2 februari 2010 meldt de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer dat er zich per 31 december 2009 8293 inkeerders hadden gemeld. De totale omvang van het buitenlands vermogen waarmee is ingekeerd: € 2.150.223.000,–, gemiddeld per inkeerder dus +/– € 260 000,–.[24]

De opmerking met betrekking tot de ongelijkheid van verdeling van vermogen zijn ontleend aan een paper van B. van Bavel en E. Frankema, in Low Income Inequality, High Wealth

Inequality; The Puzzle of the Rhineland Welfare States. [25]

  • Een goede illustratie van de stelling dat grote bedrijven en vooral hun leidinggevende elite druk zijn met fiscale optimalisering was te zien in een uitzending van Tegenlicht over de belastingroutes van bedrijven als Starbucks, Amazon en Google (maart 2013): “Via ingewikkelde routes met klinkende namen als ‘double Irish with a Dutch sandwich’ sluizen multinationals hun geld de hele wereld over. Hoe zorgen ze er op die manier voor dat ze zo min mogelijk belasting betalen? Amerikaanse technologiegiganten als Apple, Google en Microsoft gebruiken de belastingroutes op grote schaal. Om tot de gedroomde 0% belasting te komen, is het zaak eerst onduidelijkheid te creëren over de inkomsten. Dan moet het geld naar een tropisch eiland als Bermuda of de Kaaimaneilanden waar een vennootsschapsbelastingtarief geldt van nul procent. Maar ook het geld van A naar B krijgen, kan belasting kosten. Dus kiezen de multinationals voor op het oog complexe routes.” [26]

Ik heb er van afgezien om in het boek in te gaan op de hoeveelheid dat buiten het zicht van de fiscus blijft. Dit is immers per definitie speculatief. Ik kwam hiervoor twee bronnen tegen:

Een artikel in de Volkskrant van 20 juni 2001, dat schat dat de hoeveelheid zwart geld in Nederland geschat moet worden op 5% van het BNP geschat, hetgeen – op dat moment – zou neerkomen op € 40 miljard. [27].

Op andere websites (recentere informatie) wordt gespeculeerd dat het zou kunnen gaan om in totaal zo’n € 25 miljard. [28]

De Swaan merkt, waar het gaat om Belastingontduiking op: “Voor kleine particuliere belastingbetalers en afzonderlijke uitkeerlingen blijft het maximaliseren van hun voordelen en het minimaliseren van hun kosten een eenmansonderneming. Maar in alledaagse conversaties doen ook zij recepten op om als ware ondernemers met belastingen en uitkeringen om te gaan”. [29]. De opmerkingen met betrekking tot de ontwikkeling van de welvaartsstaat en de daarop volgende verzorgingsstaat komen geheel voor eigen rekening. In de jaren ’50 waren er een aantal auteurs die stimulansen in deze richting gaven.

Allereerst speelde Keynes “General Theory of Employment, Interest and Money in deze ontwikkeling een belangrijke rol. Hij maakte korte metten met de gedachte dat markten altijd zich zelf corrigeren en neigen naar een evenwichtspositie waarin sprake is van volledige werkgelegenheid. Zoals Skidelsky in zijn recente boek over Keynes’ antwoorden op de huidige crisis aangeeft is de kern van de zaak de “unescapable uncertainty”, waarmee wij in ons leven en daarmee ook in ons economisch leven te maken hebben. Omdat we nooit zeker zijn van wat de toekomst brengt en al helemaal niet in tijden van neergang, hebben we allemaal de neiging om reserves aan te leggen voor slechtere tijden. Deze micro-economische deugd vertaalt zich in de macro-economisch zonde van het ‘oppotten’ van geld, hetgeen er in de praktijk toe leidt dat de ‘geaggregeerde koopkrachtige vraag’ in de samenleving te laag is om volledige werkgelegenheid mogelijk te maken. In die situatie is er maar één actie die overheden moeten plegen: ze moeten ervoor zorgen dat de geaggregeerde koopkrachtige vraag wél voldoende is om volledige werkgelegenheid mogelijk te maken. Dat betekent dat ze door eigen investeringen de geaggregeerde koopkrachtige vraag op het niveau brengen, waarbij wél volledige werkgelegenheid bestaat.[30]

Paul A. Samuelson voegde met zijn klassieke artikel The Pure Theory of Public Expenditure, een model aan toe waarmee een Pareto-optimale combinatie private en publieke dienstverlening kon worden bepaald. Op basis daarvan kon dus orden bepaald in welke mate de publieke zou kunnen/moeten worden uitgebreid om tot een groter maatschappelijk nut te kunnen komen.[31] . John K. Galbraith analyseerde in zijn boek The Affluent Society waarom in de VS na de Tweede Wereldoorlog sprake was een combinatie van private rijkdom, tegenover “poverty which inflicts us in public services”. Met onze toenemende elvaart zien we, aldus Galbraith, dat er steeds minder werk en dus ook werkgelegenheid nodig is om te kunnen voorzien in onze private en materiele behoeften, terwijl tegelijk grote behoeften in de publieke sfeer, zoals in de zorg, in onderwijs, in de infrastructuur en in parken en andere groenvoorziening onvervuld blijven.[32]

Eind jaren ’70 bereikte de Verzorgingsstaat zijn hoogtepunt en ontstond ook het bewustzijn dat deze op lange termijn niet te betalen zou zijn.

  • De eerste blijk van ongerustheid was de zogenaamde “1%-operatie” die tijdens het kabinet Den Uijl werd ingezet en die behelsde dat de collectieve uitgaven niet meer dan 1% per jaar mochten groeien. Het hierop volgende kabinet Van Agt-Wiegel probeerde – weinig succesvol – in het programma Bestek ’81 tot echte ombuiging te komen. Overigens bleek ook het 1e kabinet Lubbers dat hierop volgde in de praktijk een beetje een loopje te nemen met de eigen bezuinigingsdoelstellingen. Dit proces is gedocumenteerd door S.J. Toirkens[33]
  • De uitspraak over de overheid als “Meester Albedil” komt van de toenmalige VVD-fractievoorzitter Rietkerk, bij het debat over de regeringsverklaring van het kabinet Van Agt-Wiegel in 1978. In 1981 zette Ronald Reagan in zijn inauguratie-toespraak dit thema nog wat sterker neer: “Government is not the solution to our problem; government is the problem.”
  • De opmerkingen met betrekking tot het gebrek aan succes van de privatiseringsoperaties vinden hun grond in de rapportage van de enquetecommisie uit de Eerste Kamer, die hiernaar onderzoek heeft gedaan. “De commissie concludeert dat de rijksoverheid wel vereenvoudiging en een kleinere rijksdienst nastreefde, maar dat in plaats daarvan de bestuurlijke complexiteit is toegenomen. Er was geen samenhang in beleid, geen gemeenschappelijke «road map» en uiteindelijk zaten ook departementale verschillen in aanpak de doelstelling in de weg. Er waren geen breed gehanteerde beslis- of toetsingskaders die voor samenhang in het beleid hadden kunnen zorgen. Mede daardoor hebben besluitvormingsprocessen over privatisering en verzelfstandiging veel tijd en parlementaire aandacht gekost.”[34]

Concepten op het gebied van privatisering, deregulering en marktwerking vonden gaandeweg theoretische onderbouwing in de Public Management- en de Public Choice-scholen. In zijn boek Systems Thinking and the Public Sector fileert John Seddon de Public Choice-benadering. De opmerkingen die ik hierover maak zijn ontleend aan zijn werk. De column over het programma “every child matters’ is aan dit boek ontleend. [35]

Waar ik spreek over “restverlies” ben ik geinspireerd door F.A.G. den Butter, die in dit kader onderscheidt tussen drie vormen van restverlies, te weten “monitoring costs”, “bonding costs” en “residual loss”. Dit restverlies ontstaat because of the incomplete fullfillment of the wishes of the principal by the agent”.[36]

Een goede illustratie van de hoeveelheid tijd die professionals kwijt zijn met “extra” werk werd geleverd door Prof. Micha de Winter in Buitenhof 16 februari 2014, die liet zien hoe zijn vierjarig kleinkind twee keer per jaar door de leerkracht moet worden beoordeeld op zo’n 30 items, hetgeen er dus toe leidt dat die leerkracht jaarlijks 2 x 30 (items) x20 (kinderen) = 1200 oordelen moet formuleren, die als het zorgvuldig gebeurt toch zo’n 2 minuten per punt zouden moeten zijn, dus een tijdsbeslag van 2400 minuten = 40 uur kost. Dat nog los van het feit dat er natuurlijk ongetwijfeld ook moet worden getoetst op voortgang.

Leerzaam in het kader van het functioneren van deze “marktmeesters” zijn de publicaties met betrekking tot het functioneren van de Nederlandse Zorgautoriteit in NRC-Handelsblad (10 en 11 april 2014). Hieruit komt naar voren dat deze organisatie o.m. niet rapporteerde over forse verliescijfers bij onder toezicht staande ziekenhuizen en overigens haar interne processen niet op orde heeft. Inmiddels heeft een Commissie Borstlap nader onderzoek gedaan. Zij heeft geconcludeerd dat met name het HRM-beleid en het ICT-beleid niet voldoende op orde waren en dat – belangrijker nog – “dat de NZa en haar verhouding tot het ministerie, hoe dan ook toe zijn aan een forse onderhoudsbeurt. De beschrijving van het interne functioneren van de NZa, (..), zowel van de politiek verantwoordelijke minister als van de NZa zelf.”[37]

De uitspraak over de competentie van de winnaars van aanbestedingsprojecten (“Zij die het kunnen worden het niet en zij die het worden kunnen het niet”) werd gebruikt door één van de getuigen voor de enquêtecommissie ICT-projecten van de Tweede Kamer. Ik heb helaas niet kunnen achterhalen wie dit heeft gezegd.

  • De stelling met betrekking tot het negatieve effect van aanbestedingen op de productiviteitsgroei is ontleend aan Douglas C. North. [38], Vgl. Institutions, Transaction Costs and Productivity in the long run, conclusie 4 (Paper provided by EconWPA in its series Economic History with number 9309004.)

Waar het gaat om de conclusie van hoofdstuk 3, dat de verzorgingsstaat een staat van wantrouwen is geworden is de opmerking van De Swaan wellicht een waarschuwing: “Een verzorgingsstaat die werkt met volkomen efficiëntie, werkt alleen volkomen efficiënt als politiestaat.” [39]

Hoofdstuk 4

In dit hoofdstuk wordt terugverwezen naar het beroemde boek van de Amerikaans socioloog C. Wright Mills, The Sociological Imagination, New York 1959. Door mij is de Nederlandse vertaling gebruikt die is uitgegeven in de Aula-reeks, nr. 491. [40] Overigens heb ik in dit hoofdstuk gebruik gemaakt van noties van de volgende auteurs:

  • Het begrip “informationele economie” is ontleend aan het wat mij betreft magistrale werk van Manuel Castells, die – bij mijn weten – als eerste de taak op zich heeft genomen om te komen tot een systematische doordenking van de maatschappelijke gevolgen van de wat ik maar noem de ICT-ificering van de samenleving. Zijn trilogie, The information age: economy, society and culture, is een belangrijke inspiratiebron voor mij geweest, zowel in mijn advieswerk als bij het schrijven van dit boek.[41]
  • De notie dat wij, mensen bij alles wat we doen en organiseren bezig zijn met het reduceren van dubbelzinnigheid in een proces van sense-making op basis van zo weinig mogelijk informatiebrokstukken is ontleend aan P. Peverelli en K. Verduyn. [42]
  • De paragraaf over het belang van (procedurele) rechtvaardigheid is in belangrijke mate gebaseerd op het essay dat K. van den Bos in 2011 schreef over ‘Vertrouwen in de overheid’, ten behoeve van het Ministerie van BZK[43];
  • Op YouTube zijn verschillende video’s te zien waarin Frans de Waal rapporteert over de experimenten met apen en andere primaten, die laten zien dat deze inderdaad beschikken over het vermogen tot pro-sociaal gedrag. Als bouwstenen voor moraliteit ziet hij het vermogen tot reciprociteit en het vermogen tot empathie. Beide zijn in deze experimenten aantoonbaar. Ik heb zijn TED-lezing in Atlanta in november 2011 gebruikt. [44]
  • Het gegeven dat minder dan 2% van de bevolking geneigd is komt uit de laatste column van A. Brenninkmeijer in zijn rol als Nationale Ombudsman, 24 december 2013; [45]

Hoofdstuk 5

Ik laat de Koning in zijn troonrede 2025 stellen dat burgers weer de plaats hebben gekregen die hen sinds Thorbecke toekomt, te weten zij die de staat constitueren en dragen. Daarbij laat ik hem in puur historische zin wel wat kort door de bocht gaan. Thorbecke is wat mij betreft de samenvatter en toepasser van het liberale verlichtingsdenken voor onze Nederlandse rechtsstaat. Hij staat daarbij in een brede internationale traditie:

  • Wat waar is, is dat in de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger die op 26 augustus 1789 binnen de context van de Franse revolutie is aanvaard, o.m. wordt gesteld dat de “oorsprong van iedere soevereiniteit wezenlijk bij het volk ligt” en dat “de wet (.) de uitdrukking (is) van de algemene wil. Alle burgers zijn hebben het recht, persoonlijk of door hun vertegenwoordigers, aan haar totstandkoming mee te werken.”
  • Wat vol te houden is, is dat de grondwet van Thorbecke de vrucht is dergelijk verlichtingsdenken, zoals dat bij voorbeeld ook tot uitdrukking komt in de beroemde frase van Lincoln in zijn beroemde Gettysburg Adress in 1869 “that this nation, under God, shall have a new birth of freedom—and that government of the people, by the people, for the people, shall not perish from the earth.”
  • Wie de ‘bijbel’ van het staatrecht van Van der Pot/Donner er op na slaat, zie geen directe verwijzing naar de burger als “drager” van de staat. Wel is duidelijk dat Thorbecke’s wetgeving – gevoed door ideeën vanuit de verlichting, de Franse revolutie en de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring leiden tot “een omwenteling in de verhoudingen, doordat de deuren vergelijkenderwijs breed worden open gezet voor de volksinvloed”.[46]

Ook P.de Rooy ondersteunt de claim van de Koning, waar hij over Thorbecke schrijft dat “dit een tijd was waarin een democratiseringsproces plaats vond, waarin al het oude onderscheid verviel en iedereen staatsburger werd.” En verder: “Thorbecke veronderstelde dat de behoefte om actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de staat een natuurlijke neiging van mensen was.” [47]

 

Hoofdstuk 6

Dit hoofdstuk kan beschouwd worden als pure fictie. Hieraan liggen geen bronnen ten grondslag.

Hoofdstuk 7

 

Dat standaarden helpen transactiekosten te verminderen en daarmee de welvaart te doen stijgen is een notie die ontleend is aan Den Butter. [48]

  • Een goed voorbeeld hiervan zien wij bij het functioneren van de Staalmeesters, zoals deze door Rembrandt in beeld zijn gebracht. Zij keuren de kwaliteit van het laken, zodat handelaren daarover niet met elkaar in discussie kunnen, zich kunnen concentreren op aan- en verkoop en daardoor dus meer transacties kunnen realiseren. Meer transacties betekent meer waarde. Hierbij is natuurlijk van groot belang dat de Staalmeesters worden ‘vertrouwd’. Ook deze notie is ontleend aan Den Butter.[49]
  • De definitie van een standaard is ontleend aan Den Butter.[50]
  • De notie dat deze standaarden in genormeerde referentiedocumenten zijn neergelegd, is ontleend aan T. van Bergeijk, Normalisatie en Standaardisatie; raamwerk voor interoperabiliteit. [51]
  • In zijn heel vermakelijke boek “Italië op het spoor” geeft Tim Parks een illustratie van het belang van de standaardisering van de tijdsaanduiding in relatie tot macht en staatsvorming. Een stationsklok die er op een stationnetje in het diepe zuiden van Italië precies zo uit ziet als in Milaan, of Como. “Tegenwoordig heeft zo’n stationsklok niet veel zin meer, maar toen de spoorwegen begonnen, was de tijd tussen de verschillende Italiaanse steden niet gesynchroniseerd en maakte elke stad voor zich zelf uit hoe laat het was. De komst van de trein en de daaruit voortvloeiende noodzaak van tijdroosters in het hele land, leidde in 1866 tot het besluit dat alle steden hun klokken gelijk moesten zetten met de tijd in Rome. Op een moment dus dat Rome nog geen deel uitmaakte van het Koninkrijk, laat staan dat het de hoofdstad was.“[52]

De opmerkingen in de paragraaf over basisafspraken voor het samenleven met betrekking tot de noodzaak om in het hechter wordende interdependentievlechtwerk opwellingen ondergeschikt te maken en wisselvallig gedrag te vermijden, zijn ontleend aan N. Elias, het Civilisatieproces.

  • De passage over hoe standaardisering juist tot verschil kan leiden en het voorbeeld van de muziek is ontleend aan H. Boutellier, Verbinden door controle; de paradoxale opdracht van standaardisatie.[53]
  • De passage: “In een samenleving waarin individuen de vrijheid hebben om zich te ontwikkelen op de wijze die het beste bij hen past, zijn standaardisatie en formalisatie weliswaar technische vereisten, maar meer en meer vormen ze de voorwaarden voor flexibiliteit, creativiteit en autonomie” is een letterlijk citaat van P.H.A. Frissen.[54]

De column over Walter Benjamin is ontleend aan Hannah Ahrendt. [55]

De laatste paragraaf van hoofdstuk 7 over het “Bewaken van het Verschil” is in sterke mate geïnspireerd door het werk van P.H.A. Frissen, in het bijzonder in zijn boek Gevaar Verplicht, waarin hij de bescherming van de “differentie” definieert als belangrijkste rol voor de staat. [56]

Hoofdstuk 8

Dit hoofdstuk heeft verschillende inspiratiebronnen. Daartoe behoort in ieder geval ook het boek van A. Cornelis, de Logica van het gevoel.

Waar ik in de eerste alinea van hoofdstuk 8 schrijf dat de beëindiging van hiërarchische verhoudingen een nieuwe stap is in lange emancipatieproces over de afgelopen millennia, relateer ik dat aan de driedeling van Cornelis die onderscheidt tussen een natuurlijk systeem, een sociaal regelsysteem en een communicatief systeem. Grofweg zijn dit ontwikkelingsstadia van de samenleving, maar ook van ieder, nu levend mens. De hiërarchie is een culturele “stabiliteitslaag’ die past bij het sociaal regelsysteem, waarvan rationaliteit een kenmerk is. Onze emancipatie is echter verder gegaan in de richting van de derde culturele stabiliteitslaag, te weten die van het communicatief systeem. Dit heeft betrekking op de wijze waarop de mens zich tot zijn eigen en andermans ‘identiteit’ verhoudt. Juist in het zoeken naar nieuwe wegen waarop mensen zich tot elkaar, met volle waardering voor hun ‘identiteit’ verhouden, ligt de uitdaging voor het ‘verhaal’ van de transactiegestuurde samenleving. Het vermogen om deze communicatieve zelfsturing vorm te geven is de kerncompetentie van de acterende burger.

Waar ik pleit voor nieuwe taal en nieuw verhaal voor de ‘acterende burger’ kan dit worden gezien als een ‘invulling’, c.q. een ‘instrumentatie’ van deze notie van communicatieve zelfsturing. [57]

Vgl. A. Cornelis, De logica van het gevoel, Amsterdam/Brussel 1988, o.m. p.49-66 en 375-377.

Natuurlijk sluit de notie van een emancipatieproces van de menselijke soort over millennia ook aan op de ook eerder al aangehaalde analyse van N. Elias dat ons civilisatieproces vooral kan worden geduid als een proces waarin wij steeds meer onze innerlijke driften zijn gaan beheersen, vanwege steeds sterker wordende interdependentie waaraan wij in steeds langere ketens zijn onderworpen. Deze “vervlechtingsmechanismen” als gevolg van strijd en overwinning, waarbij de overwinnaar “het integratiecentrum” vormde van een grotere heerschappijeenheid, “in het kader waarvan vele van de voorheen concurrerende gebieden en mensengroepen langzamerhand samengroeiden tot één min of meer tot eenheid geworden en min of meer stabiel uitgebalanceerde sociale figuratie van een hogere orde van grootte”.[58]

De notie met betrekking tot het ‘menselijk tekort’ vinden we sterk terug bij Frissen die ingaat op ons steeds sterke onvermogen om ongeluk te accepteren door steeds ingewikkelder voorzieningen: “In de perfectionering toont zich dat het menselijk tekort fundamenteel is en de wereld in essentie tragisch. Dat te moeten erkennen is een cruciaal aspect van de condition humaine”.[59]

Dat nieuwe taal en nieuw verhaal nodig zijn heb ik in sterke mate ontleend aan heeft alles te maken met het proces van “sense making” waar wij mee te maken hebben, zoals dat in navolging van Weick door Peverelli en Verduyn is uitgewerkt. [60]

  • Dat “taal de moeder is van alle instituties” is een notie die direct is ontleend aan P. L. Berger/B. Berger, Sociologie, een biografische opzet, waar zij schrijven: “(.)we (.) beweren dat de taal zeer waarschijnlijk de fundamentele institutie van de maatschappij is (.)” (cursivering door auteurs).[61]
  • Ook R. Bregman wijst op het belang van taal voor onze ontwikkeling: ‘Met behulp van taal kon de kennis van de gemeenschap (.) worden opgeslagen in orale tradities. Taal veranderde niet de hardware, maar de software van ons brein.” [62]
  • Ik betoog dat de – door mij bepleite – gestandaardiseerde procescomponenten, zodanig ontworpen moeten zijn dat ze de burger beschermen tegen uitwassen van machtsuitoefening door economische, politieke, religieuze, culturele of nog andere monopolisten. Juist hierin ligt een taak voor de politiek, of “het politieke”; dit is geinspireerd door P.H.A. Frissen.: “Het politieke moet (.) de differentie radicaal beschermen” [63]
  • Dat mensen die een verhaal delen daarmee visies delen op realiteit, symbolen, jargon e.d. is een notie, die direct is ontleend aan Peverelli en Verduyn.[64]
  • Het citaat: “het is schooner het zedelykste dan het machtigste volk der aarde zijn” is van de 19e eeuwse geschiedschrijver W.J. Hofdijk (1864), geciteerd door P. de Rooy. [65] Ons stipje op de waereldkaart; de politieke cultuur van modern Nederland , Amsterdam 2014, p. 10

Dat ‘leren’ steeds belangrijker wordt en dat er in de praktijk geen einde zal komen, is in beleidskringen inmiddels gemeengoed. Het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid onder de titel: “Naar een lerende economie”, dat op 23 oktober 2013 is uitgebracht, is een 440 pagina’s tellende onderschrijving van deze stelling. Uitgangspunt van dit rapport is dat de Nederlandse economie alleen zal kunnen blijven groeien als het lerend vermogen van die economie stelselmatig wordt versterkt. Het rapport formuleert hiervoor vijf opdrachten:

Het stimuleren van kenniscirculatie

Het verder ontwikkelen van onderzoeks- en onderwijsinstellingen tot regionale kenniscentra

Het herzien van- en het versterken van het debat over de inhoud van het onderwijs.

Een kwaliteitsslag in het onderwijs dat achteruit gaat doordat het gemiddelde opleidingsniveau van leerkrachten terugloopt.

Het binnen de arbeidsorganisaties meer integreren van werken en leren.

Het systematisch oppakken van de aanbevelingen van de WRR is een belangrijk element in het schrijven van het ‘verhaal’ van de transactiegestuurde samenleving.[66]

Ten aanzien van het fenomeen ‘koppelzones’ is door Den Butter et al een cruciaal begin gemaakt met wetenschappelijk onderzoek. [67]. Eveneens bij Futuro-uitgevers zal op korte termijn het boek Koppelzones, Hoe transactiekosten te verlagen door organisatorische innovatie verschijnen, dat op dit onderzoek is gebaseerd en dat een aantal praktische lessen voor het organiseren van koppelzones formuleert.

Hoofdstuk 9

De notie dat staat wordt gedefinieerd door de beide monopolies van geweldsuitoefening, respectievelijk belastingheffing is terug te vinden bij Elias.[68] De daarop volgende notie dat het de rol van de staat is om ons af te houden van een strijd van allen tegen allen, dat wil zeggen, af te houden van een burgeroorlog, is sterk geënt op het werk van Frissen. De gedachte dat ‘acterende burgers’ naar elkaar “verschil” moeten kunnen maken klinkt als marketing-slogan, maar het is in dit hoofdstuk nadrukkelijk bedoeld overeenkomstig diens pleidooi voor een radicale bescherming van de “differentie” door de politiek [69]. Ik ben het overigens niet met hem eens dat “een politiek van het verschil accepteert dat de wereld van de differentie geen vooruitgang kent”(p. 45). Mij lijkt – zoals betoogd door R. Bregman, dat onze geschiedenis er daadwerkelijk één is van vooruitgang en dat de motor daarvan de culturele vooruitgang is die arbeidsdeling en dus de differentie mogelijk maakte. [70] Overigens heb ik de volgende bronnen gebruikt:

De connotatie van het begrip “subsidiariteit” met “tijden van verzuildheid en corporatisme”, waarin “het Nederlandse volk min of meer van boven af in vier groepen werd ingedeeld en waarin burgers eerder als lid van die groep, dan als individu werden aangesproken”, is ontleend aan P. de Rooy.[71]

Mijn bespreking van de inhaalslag die de staat heeft te maken, waar het gaat om het standaardiseren van het wetgevingsproces raakt aan de doelstellingen van het LEGIS-programma, dat in 2009 door het Ministerie van Justitie is gestart, maar nooit is afgerond. Dit programma beoogde een wetgevingsarchitectuur te ontwikkelen, te weten een samenhangend stelsel van principes, standaarden, diensten, en (specificaties) van applicaties ter ondersteuning van de wet in wording en de wet in werking.[72] Binnen het kader van een dergelijke wetgevingsarchitectuur zou op enig moment een actief beheerde catalogus ontstaan van gestandaardiseerde bepalingen, die altijd het zelfde betekenen en waarvan de uitvoering dan dus ook altijd op dezelfde wijze verloopt. Componenten van de uitvoeringssystemen horen daar dus bij. Het wetgevingsproces heeft nu nog grotendeels een ambachtelijk karakter, waarbij vaak – als de wet eenmaal in het Staatsblad staat, pas de uitvoering ter hand wordt genomen, waardoor tot ver na de invoeringsdatum van een wet onzekerheid bestaat. Met de LEGIS-aanpak wordt wetgeving veel meer een assemblageproces, waarbij alle betrokkenen vanaf het begin weten waar ze aan toe zijn.

Waar ik spreek over de voorwaarden voor het proces van ‘sense-making’ kan worden opgemerkt dat de indeling van deze voorwaarden aansluit op drie verschillende fasen van het transactieproces, te weten de contact-, de contract- en de controlefase. [73]

De opmerkingen over de problemen bij het uitrollen van systemen voor elektronische identificatie zijn ontleend aan het rapport: Elektronische identificatie (eID); Nederland versus Europa, [74]

De opmerkingen over de risico’s van de scheidslijnen tussen de publiek en privaat georganiseerde vertrouwensdienstverlening zijn ontleend (nagenoeg letterlijk) aan de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden over het eID Stelsel en DigiD-kaart. [75]

Waar ik spreek over de rol van de politiek, citeer ik J. van Putten in de opmerking dat Politicologen veel vragen kunnen beantwoorden, maar niet de vraag wat politiek eigenlijk is. [76]Vgl. J. van Putten, Politiek een realistische visie Utrecht 1994, p. 22

Ten aanzien van die zelfde vraag komt Frissen tot een soortgelijke conclusie: “de vraag ‘Wat is politiek?’ kan alleen worden beantwoord met deze vraag zelf.” De politiek gaat zelf over de vraag wat de thema’s zijn waarover strijd wordt geleverd. Want daarmee heeft politiek in ieder geval alles te maken. “Als het antwoord op de vraag ‘wat is politiek?’ gegeven wordt in de vorm van een totaliteit, van een uitsluiting van de differentie, dan ligt de totalitaire verleiding op de loer.”[77]

Daarom stel ik dat het beschermen van deze differentie de kerntaak van ‘de politiek’ is. De ‘acterende burger’ de rol geven die hem toekomt, is bij uitstek dat. Daarom is dit boek een politiek manifest.

Voetnoten:

  1. Deze definitie heb ik eerlijk gezegd niet zelf bedacht, maar heb ik mij herinnerd uit een advies van, c.q. met betrokkenheid van Prof. Paul Frissen. In mijn herinnering was het een advies van de RMO, de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Ik heb het helaas niet kunnen terugvinden.
  2. vgl. J. Rawls, Een theorie van rechtvaardigheid, Rotterdam 2009, p. 51
  3. Rawls 2009, p. 58
  4. J. Rawls 2009, p. 321
  5. Meurs, P. (2014) Van regeldruk naar passende regels (p.10) Essay op verzoek van het Ministerie van VWS.
  6. European Review of Economic History 4, p. 251-284, Cambridge 2000.
  7. Covey, S.M.R. & Link, G. (2012) Slim Vertrouwen, Principes en Vaardigheden om vertrouwen te creëren (pp. 69-70). Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Business Contact
  8. Elias, N. (1987) Het Civilisatieproces, sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen (Aula Paperback 148, 1e dr). (pp. 629-630) Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum BV.
  9. Dekker, P., Ridder, J. den, Houwelingen, P. van (2013) Burgerperspectieven 2013-4. (p.30) COB-bericht, Sociaal en Cultureel Planbureau
  10. Mijn Onbegrijpelijke Overheid, Jaarverslag 2012 van de Nationale Ombudsman. (pp. 5-6) Tweede Kamer 2012-2013, 33 539, nr2.
  11. Steinmetz, S. (2013). De brievenbus van Mevrouw De Vries, gekmakende post van onze (semi) overheid (pp. 79-81). Amsterdam: Atlas Contact
  12. Vgl. B en M, 2006.33.4
  13. Sint Willibrord, Dorp van vrijbuiters. NRC-Handelsblad. (31 mei 2014)
  14. Castells, M (1996). The rise of the network society (The information age: economy, society and culture, Volume 1) (pp. 410-423 en pp.464). Oxford: Blackwell Publishers.
  15. Boerma, N. (2009). De hiërarchie is dood, Dagblad Trouw (16 mei 2009)
  16. Coase, R (…) Economica (Blackwell Publishing) 4 (16): 386–405.
  17. Monitor Trends in Beeld van het Ministerie van OCW. http://www.trendsinbeeld.minocw.nl/grafieken/3_1_2_32.php
  18. Netwerk-TV (2009). Kafka in de polder: Josje Hillenaar. Beschikbaar op: http://www.npo.nl/netwerk/21-07-2009/EO_101153161
  19. Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2010). Terug naar de basis, over de legitimiteit van maatschappelijke dienstverlening (p.2). Den Haag.
  20. Greif, A. (2000). The fundamental problem of exchange: a research agenda in Historical Institutional Analysis. European Review of Economic History 4 (p. 251-284). Cambridge.
  21. Acemoglu, D. & Robinson, J. (2012) Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm (pp.105-126). Amsterdam: Uitgeverij Nieuw Amsterdam.
  22. Shorto, R (2013) Nieuw Amsterdam, de oorsprong van New York (pp 343-357), Amsterdam: uitgeverij Forum
  23. Swaan, A. de (1989) Zorg en de Staat, welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd (p. 235). Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker
  24. Inkeerregeling, Brief van de staatssecretaris van Financiën (2010). Tweede Kamer(31 066), Vergaderjaar 2009-2010 Nr. 85.
  25. Bavel, B. van & Frankema, E. (2013) Low Income Inequality, High Wealth Inequality; The Puzzle of the Rhineland Welfare States. CGEH Working Paper Series, nr. 50 (p. 9) Utrecht, www.cgeh.nl/working-paper-series
  26. Vgl. http://tegenlicht.vpro.nl/nieuws/2013/maart/Belastingroutes.html
  27. Vgl. http://www.volkskrant.nl/dossier-archief/zwart-geld-vindt-weg-rond-de-euro~a587319/
  28. vgl.: http://rubriek.nl/geld/zwart-geld-en-wit-wassen .
  29. Swaan, A. de (1989) Zorg en de Staat, welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd (p. 235). Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker
  30. Skidelsky, R (2010) Keynes, the return of the master (p. 95 en p. 166) London: Penguin Books.
  31. Samuelson, P.A. (1954) The Pure Theory of Public Expenditure. The Review of Economics and Statistics, Vol. 36, No. 4. (pp. 387-389).
  32. Galbraith, J.K. (1958, 1998) The Affluent Society (p. 223) (fortieth anniversary edition 1998)London: Penguin Books
  33. Toirkens, S.J. (1988) Schijn en werkelijkheid van het bezuinigingsbeleid 1975-1986, Deventer: Kluwer.
  34. Verbinding Verbroken, Onderzoek naar de parlementaire besluitvorming over de privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten (2012). Rapport Parlementair Onderzoek Privatisering/Verzelfstandiging Overheidsdiensten (p. 6). Eerste Kamer, Vergaderjaar 2012-2013, C, B.
  35. Seddon, J. (2008). Systems thinking in the public sector, the failure of the reform regime…and a manifesto for a better way (pp. 190-192). Axminster.
  36. Butter, F.A.G. den (2012) Managing Transaction Costs in the Era of Globalization (p.232). Cheltenham UK: Edward Elgar
  37. Borstlap, H., Meer Mohr, P.F.M. van der, Smits, L.J.E. (2014) Rapport van de onderzoekscommissie intern functioneren NZA (p. 134) Den Haag
  38. North, D.C. (1993) Institutions, Transaction Costs and Productivity in the long run (p.10). Paper provided by EconWPA in its series  Economic History number 9309004
  39. Swaan, A. de (1989) p. 236.
  40. Wright Mills, C. (1972) De sociologische visie (Aula Paperback 491, 2e dr). (pp. 7-9). Utrecht: Het Spectrum BV
  41. Castells, M (1996). The rise of the network society (The information age: economy, society and culture, Volume 1) (p. 66). Oxford: Blackwell Publishers.
  42. Peverelli, P. & Verduyn, K. (2012) Understanding the basis dynamics of organizing. (pp. 23-26). Delft: Eburon.
  43. Bos, K. van den, (2011) Vertrouwen in de overheid; wanneer hebben burgers het, wanneer hebben ze het niet en wanneer weten ze noet of de overheid te vertrouwen is? (p. 17) Essay ten behoeve van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
  44. Waal, F. de (2011). Moral behavior in animals. TED-lezing, Atlanta.http://www.ted.com/talks/frans_de_waal_do_animals_have_morals#t-156930
  45. Brenninkmeijer, A (2013). Het ga u goed. Column Nationale Ombudsman. https://www.nationaleombudsman.nl/het-ga-u-goed
  46. C.W. van der Pot, C.W. van der (1977) Handboek van het Nederlandse Staatsrecht (A.M. Donner, bewerker) (p. 114). Zwolle: Tjeenk Willink.
  47. Rooy, P. de (2014) Ons stipje op de wereldkaert, de politieke cultuur van modern Nederland (pp. 96-97). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  48. Butter, F.A.G. den (2012) Managing Transaction Costs in the Era of Globalization (p.157-159). Cheltenham UK: Edward Elgar
  49. Butter, F.A.G. den (2012) (p.160)
  50. Butter, F.A.G. den (2012) (p.148)
  51. T. van Bergeijk, T. van (2008). Normalisatie en Standaardisatie; raamwerk voor interoperabiliteit. Eerlijk zullen we alles delen, verkenningen naar interoperabiliteit (Zwienink, S. & Wisse, P.) (p.225). Den Haag: Forum Standaardisatie.
  52. Parks, T. (2013) Italië op het spoor, een hilarisch portret van een land in beweging (p. 227). Amsterdam: De Arbeiderspers.
  53. Boutellier, H. () Verbinden door controle; de paradoxale opdracht van standaardisatie. Interoperabel Nederland (Waters, P., Westpalm van Hoorn, N., Wisse, P.) (pp.94-96). Den Haag: Forum Standaardisatie.
  54. Frissen, P.H.A (1996) De virtuele staat. (p. 75) Schoonhoven: Academic Services.
  55. Ahrendt, H. (1968) Introduction in Walter Benjamin. Illuminations (Benjamin, W.) (p. 4). New York: Schocken Books.
  56. Frissen, P.H.A. (2009) Gevaar Verplicht, over de noodzaak van aristocratische politiek (pp. 47-53). Amsterdam: Van Gennep.
  57. Cornelis, A. (1998) De logica van het gevoel, stabiliteitslagen in de cultuur als nesteling der emoties (3e vermeerderde druk)(pp. 49-66 en 375-377). Amsterdam/Brussel: Essence
  58. Elias, N. (1987) Het Civilisatieproces, sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen (Aula Paperback 148, 1e dr). (p. 703) Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum BV.
  59. Frissen, P.H.A. (2013) De fatale staat, over de politiek noodzakelijke verzoening met tragiek (pp.191-192). Amsterdam: Van Gennep.
  60. Peverelli, P. & Verduyn, K. (2012) Understanding the basis dynamics of organizing. (pp. 24-26 ). Delft: Eburon.
  61. Berger, P.L. & Berger, B. (1974) Sociologie, een biografische opzet. (p.67) Bilthoven: Ambo
  62. Bregman,R (2013) De geschiedenis van de vooruitgang (4e druk) (p.44) Amsterdam: De Bezige Bij
  63. Frissen, P.H.A. (2009) Gevaar Verplicht, over de noodzaak van aristocratische politiek (p. 47). Amsterdam: Van Gennep.
  64. Peverelli, P. & Verduyn, K. (2012) (pp. 32-33)
  65. Rooy, P. de (2014) Ons stipje op de wereldkaert, de politieke cultuur van modern Nederland (p. 10) Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  66. Naar een lerende economie, investeren in het verdienvermogen van Nederland (2013)WRR-rapport nr. 90. Amsterdam 2013)
  67. Butter, F.A.G. den & Wolde, S. ten (2014) The Institutional Economics of Stakeholder Consultation; How experts can contribute to reduce the costs of reaching compromise agreements. In Martini, C & Boumans, M. (Eds.) Experts and Consensus in social science; Series: Ethical Economy, Vol. 50, (pp. 17-48). Switzerland: Springer Verlag.
  68. Elias, N. (1987) Het Civilisatieproces, sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen (Aula Paperback 148, 1e dr). (p. 485) Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum BV.
  69. Frissen, P.H.A. (2009) Gevaar Verplicht, over de noodzaak van aristocratische politiek (pp. 37-38 & pp. 45-47). Amsterdam: Van Gennep.
  70. Bregman, R (2013) De Geschiedenis van de vooruitgang (4e druk) (p. 23) Amsterdam: De Bezige Bij
  71. De Rooy, P. de (2014) Ons stipje op de waereldkaart, de politieke cultuur van modern Nederland (pp. 225-232) Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  72. Legis, Architectuur voor wetgeving en wetgevingsproces, Programmaplan (2009) Ministerie van Veiligheid en Justitie
  73. Butter, F.A.G. den (2012) Managing Transaction Costs in the Era of Globalization (p.68). Cheltenham UK: Edward Elgar
  74. Frank, T & Boshuizen, D. (2009) Elektronische identificatie (eID); Nederland versus Europa (p. 6). Den Haag: Nictiz
  75. EID-stelsel en DigiD-kaart (2013) (p.2) Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer, kenmerk 2013-0000730734; http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2013/12/19/eid-stelsel-maakt-digitale-identificatie-veilig-en-makkelijk.html
  76. Putten, J. van (1994) Politiek een realistische visie (p.22) (Aula Paperback) (p. 22) Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum BV.
  77. Frissen, P.H.A. (2009) (p.17, p. 23)

laat een bericht achter