De ‘wet van Coase’

nacht-2

Terwijl ouders van jonge kinderen genoten van hun welverdiende zomervakantie 2014 kwam het nieuws door: Estro, eigenaar van zo’n 380 crèches met 3.600 werknemers en tienduizenden klantjes was failliet. Dat is toch zo’n bericht waar je even met je ogen bij knippert. Waarom is er een ‘holding’ nodig voor die leuke gebouwtjes, met speelse namen, kleurrijke inrichting en de lieve juffen Gerda, Ineke, Zeyneb en Marjan? Waarom kunnen die juffen eigenlijk niet samen zo’n crèche runnen?  

Dat lijkt op de vraag die Ronald Coase zich in 1937 stelde: Waarom bestaat een bedrijf? Waarom biedt niet iedereen zijn diensten altijd gewoon op de markt aan? Zijn antwoord was kort gezegd: als het inhuren van ‘resources’ door telkens nieuwe contracten te sluiten relatief ingewikkeld is, is het goedkoper om diezelfde ‘resources’ in één keer te contracteren: bied mensen een arbeidscontract aan. Dan hebben zij zekerheid over hun inkomen en het bedrijf heeft productiezekerheid. Het gaat dus om de relatieve transactiekosten van de ene versus de andere oplossing. De vraag van Coase en zijn antwoord bleken in 1991 goed genoeg voor de Nobelprijs.

Gerda, Ineke, Zeyneb en Marjan: ze kunnen het zelf wel…

Volgens deze ‘Wet van Coase’ is het bestaansrecht van een club als Estro dus gegrondvest in de gedachte dat het dusdanig ingewikkeld is om een crèche te openen en te exploiteren, dat Gerda, Ineke, Zeyneb en Marjan dat niet zelf kunnen.

Zou het? Nou, nee. Noch het bestaan, noch het failliet van Estro hebben ook maar iets met Coase’s relatieve transactiekosten te maken. Zo rapporteerde de NRC (16-8-2014) dat eigenlijk alle crèches zelf prima en met zwarte cijfers draaiden, maar dat het faillissement juist voortvloeide uit de ‘overhead’. De aansturing vanuit Estro voegde dus niets toe, maar kostte alleen maar geld.

Inderdaad: de juffen kunnen het veel beter gewoon zelf oppakken. Dat Estro bestaat (nog steeds in ‘afgeslankte vorm’), komt dan ook alleen maar voort uit een perversiteit in de markt. Deze perversiteit vloeit voort uit enerzijds een grote, deels ook (nog steeds) met overheidsmiddelen gestimuleerde vraag en anderzijds een overvloed aan risico’s, een woud aan regels en bataljons aan toezichthouders.

…maar geef de dames wel de kans!

De overheid heeft inmiddels haar ruimhartige subsidie verlaagd. Een andere en betere stap is echter om naar de regelgeving te kijken. Lange tijd heeft het spook van de deregulering rond gewaard. Minder regels zouden het ondernemen gemakkelijker maken. De praktijk is anders. Dereguleren door te zeggen ”U moet u aan de wet houden en wij komen wel in actie als u het verkeerd doet” is precies het omgekeerde. Het runnen van een crèche is geen sinecure. Het gaat om de veiligheid van onze meest kwetsbare inwoners. Garandeer die veiligheid door te zorgen voor een catalogus van standaardprocessen die ondernemers kunnen implementeren om er zeker van te zijn dat het goed gaat.[1] Op die manier beïnvloedt de overheid effectief de relatieve transactiekosten, zodat het voor Gerda, Ineke, Zeyneb en Marjan gemakkelijker wordt om ‘in te stappen’ in hun eigen business: het runnen van hun crèche. Dat houdt niet alleen schrapende ‘venture capitalists’ buiten de deur, maar stimuleert vooral ook het eigen ondernemerschap.

Wie recente rapporten over faillissementen van verzekeraars, scholen, zorginstellingen en disfunctioneren van accountantskantoren op zich laat inwerken, mag zich overigens sterk afvragen of de ‘wet van Coase’ alleen voor crèche-juffen geldt…

 

 

[1] Overigens is de overheid wel op weg: op www.ondernemersplein.nl staat een 15-stappenplan om een kindercentrum te starten. Maar dat lost het probleem nog niet echt op. Neem “stap 7: Stel een pedagogisch beleidsplan op”. Als je even doorklikt, zie je heel behulpzaam een aantal “bullets” die de ondernemer zelf moet invullen. Maar waarom zijn de componenten waaruit zo’n plan kan bestaan niet gewoon, uitgewerkt, gestandaardiseerd en goedgekeurd door toezichthouders beschikbaar op het internet? Waarom moet iedereen dat op basis van eigen creativiteit doen, om vervolgens af te wachten of de desbetreffende toezichthouder ermee instemt?

 

laat een bericht achter